Zeldzame vogels

 

            Roerdomp

 

Er zijn verschillende manieren om de(natuur)waarde van de Hekslootpoldervast te stellen. Dat kan door na te gaan hoe oorspronkelijk het gebied nog is (de natuurlijkheid van de Hekslootpolder), door te bekijken hoeveel verschillende planten- en diersoorten er voorkomen (de diversiteit) of door na te gaan hoe zeldzaam de erin voorkomende diersoorten zijn (de zeldzaamheid). In dit hoofdstuk staan de zeldzame vogels, die in de Hekslootpolder zijn waargenomen centraal. Zeldzaamheden zijn nauwelijks via systematische tellingen op te sporen. Zeldzame vogelsoorten kom je meestal ’bij toeval’ tegen. Omdat veel vogelliefhebbers de Hekslootpolder bezoeken, is de kans relatief groot dat iemand een zeldzaamheid ontdekt. Gelukkig geven deze vogelliefhebbers de gegevens meestal door aan anderen of aan zogenaamde waarnemingenrubrieken. Om een zo compleet mogelijk overzicht te krijgen, zijn waarnemingen opgespoord in de tijdschriften Hekslootnieuws (1985 tot en met 2003, jaargangen1-19) en Fitis (tijdschrift van de Vogelwerkgroep Zuid-Kennemerland, 1975 tot en met 2003, jaargangen 11-39). Tegenwoordig vormt internet een goede informatiebron. Met name de website van deVogelwerkgroep Zuid-Kennemerland en het Vogelnet Zuid-Kennemerland zijn belangrijke aanvullende bronnen geweest. De Vogelwerkgroep organiseert sinds 2000 jaarrondtellingen in de Hekslootpolder. De nog niet gepubliceerde gegevens heeft coördinator Jan Meijer verstrekt.

 

       Purperreiger

In dit hoofdstuk is een selectie van zeldzame soorten opgenomen. Het gaat om soorten die niet jaarlijks worden gezien en hele zeldzame doortrekkers en wintergasten. Een nieuw fenomeen is het voorkomen van zilverreigers. Ooit, in de middeleeuwen, waren dit gewone broedvogels van Nederland, maar door intensieve bejaging zijn zowel de grote- als de kleine zilverreiger lange tijd uit ons land verdwenen. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw broeden beide soorten echter weer in Nederland, met name in de Oostvaardersplassen ( grote- en kleine-) en de Zeeuwse delta (kleine zilverreiger). En dat is nu te merken in de Hekslootpolder, want sinds de eerste waarneming in 1994 is de grote zilverreiger drie keer gezien (november 1994, juli en november 2002) en de kleine zilverreiger vier keer (juli 1999, augustus 2001, juli en oktober 2002). De verwachting is dat beide soorten in de toekomst vaker te zien zullen zijn in de Hekslootpolder. Ooievaars worden vrijwel jaarlijks gezien, met name in de periode maart tot en met juli. Meestal gaat het om solitaire vogels, maar in mei 1994 en juli 1997 stapten vijf en vier ooievaars in de Hekslootpolder rond. De purperreiger is zeldzaam in Nederland. Hier bereikt de soort zijn meeste noordelijke broedgebied van Europa. Een enkele keer wordt er een in de Hekslootpolder gezien: 18 augustus 1997 en 3 mei 2002. Op 10 oktober 1994 zit er een zwarte ibis bij Spaarndam. Vervolgens is deze vogelvan 4 november 1994 tot en met 10 juni 1995 dagelijks in de Hekslootpolder te zien. De zwarte ibis haalt daarbij ook het Haarlems Dagblad. Voor (zeldzame) ganzen en eenden is de Hekslootpolder een goed gebied. De rotgans is regelmatig, maar niet jaarlijks in de Hekslootpolder te zien. Vooral in de winterperiode (november - mei) bestaat de kans een enkele rotgans te zien. Eind februari 1979 echter, tijdens de zeer koude winter, verblijft er enkele dagen een groep van 18 en in de periode december 1995-januari 1996 zitten er maximaal zes. Uitzonderlijk is de waarneming op 26 juli 2002, want dan zitten normaal gesproken alle rotganzen in hun broedgebieden in Siberië. Bijzonder is de waarneming van een witbuikrotgans op 8 maart 1970. Dit zeldzame neefje van de rotgans broedt hoog in Siberië. Zeer bijzonder is de waarneming van een bronskopeend. Vanaf januari 1995 zit er een vogel rond Haarlem, eerst in de Amsterdamse Waterleidingduinen, later ook in Hillegom en in de polders rond Spaarndam. Op 6 april besluit deze eend op zijn rondreis voor het eerst de Hekslootpolder aan te doen. Tot en met 20 mei blijft deze vogel rond Spaarndam hangen. Dit is een van de meest zeldzame soorten die in de Heksloot-polder is gezien, want het is de eerste (aanvaarde) waarneming van deze eendensoort in Nederland! Eind mei, begin juni 1978 zwemt er een krooneend in het gebied en op 19 mei 1986 wordt een prachtig mannetje gezien. Op 30 januari 1996 zwemmen tijdens een vorstperiode opeens vier krooneenden op het Noorder Buiten Spaarne. Op 12 december 1981 zwemt een prachtig mannetje ijseend in het Spaarne en in 1995 houdt een mannetje het op dezelfde plek anderhalve maand vol (van 1 januari tot en met 18 februari). Enkele zeldzame roofvogelsoorten hebben de Hekslootpolder met een bezoek vereerd. Spectaculair is zonder meer de waarneming van een zeearend op 14 november 1996. In het Hekslootnieuws van eind 1996 is het volgende te lezen: “Fietsend over het Assendelvervoetpad zag ik (Adriaan Dokter) over de Hekslootpolder op ca. 15 meter hoogte een enorme vogel aan komen vliegen. De zeearend landde rustig op het weiland, waar direct veel kauwen en eksters hem lastig gingen vallen, een enkele ekster durfde hem in de staart te pikken”.


          

          Zeearend

De ruigpootbuizerd is een soort van open gebieden. Toch is hij zeldzaam in onze regio en ook in de Hekslootpolder. Alleen in december 1979, bij de inval van hevige koude, verblijft tijdelijk een vogel in het gebied. Een andere roofvogel,maar dan in de categorie uilen, is de velduil. In de periode november - januari is er in totaal vier keer een velduil in de Hekslootpolder gezien. Er zijn ook waarnemingen van zeldzaamheden, die echt ‘uit den ouden doos’ komen. Dat geldt voor enkele steltlopersoorten. De meest spectaculaire is zonder meer de dunbekwulp, die op 5 december 1856 (!) dood is gevonden op de Velserdijk vlak bij Spaarndam. Deze vogel bevindt zich nu in het Natuurhistorisch Museum in Leiden. Het was toen de eerste waarneming van deze soortin Nederland! Nu is de dunbekwulp een wereldwijd bedreigde en haast uitgestorven soort. En wat te denken van drie poelsnippen die op 24 oktober 1917 zijn geschoten (!) en twee poelsnippen die op 11 juli 1939 zijn gezien. Tegenwoordig is deze zeldzame verwant van de watersnip nauwelijks nog in Nederland te zien. Een andere snippensoort, het bokje, is in de periode 1970-1980 van september tot en met december gezien, meestal in slootkanten. Nadien zijn ze vreemd genoeg nooit meer gezien. Onduidelijk is of dit een waarnemerseffect is geweest of dat er sprake is van een reële afname. Tot in de jaren veertig van de vorige eeuw broedde de zwartkopmeeuw alleen rond de Zwarte Zee. Sindsdien heeft de soort zich uitgebreid naar het Middellandse-Zeegebied en later naar NW-Europa. In Nederland broeden tegenwoordig enkele honderden paren in de Zeeuwse Delta. In de Hekslootpolder dateert de eerste waarneming van 19 april 1993. Sindsdien is de zwartkopmeeuw jaarlijks te zien, met een lichte voorkeur voor de perioden januari - maart (voor de broedtijd) en juli - oktober (na de broedtijd). Een enkele keer zitten er twee zwartkopmeeuwen. Op nieuwjaarsdag 2002 is er een drieteenmeeuw gezien, een soort die normaal gesproken alleen boven open zee is aan te treffen. Vroeger was de bonte kraai een heel gewone wintergast in de Hekslootpolder. In de winter van 1974-1975 en 1975-1976 zijn nog waarnemingen genoteerd van 6-8 bonte kraaien. In de jaren tachtig zet de neerwaartse trend stevig in en vanaf 1990 zijn er nog slechts vier (!) waarnemingen, de laatste op 12 februari 2000. In dit geval is er geen sprake van achteruitgang van de soort, maar van een veranderend trekpatroon. Steeds meer bonte kraaien besluiten om niet meer de broedgebieden in Scandinavië te verlaten, omdat de winters minder streng zijn geworden en er nog voldoende voedsel voorhanden is.

Het plasje als trekpleister

In de winter van 1997-1998 is in de knikvan het Assendelvervoetpad een perceel afgegraven, waardoor een plasje is ontstaan met daarin twee eilandjes. Dit plasje blijkt een enorme trekpleister te zijn voor ganzen, eenden en met name steltlopers. Direct in het eerste voorjaar van haar bestaan levert het plasje drie zeer zeldzame soorten op. Het begint op 25 maart 1998, als een mannetje Amerikaanse smient wordt ontdekt. Deze eend blijft vier dagen. Een maand later, op 24 april duiken twee steltkluten op. De steltkluten zijn van 24 tot en met 28 april te bewonderen. In het Hekslootnieuws is te lezen: “de waarneming stond op de telefoonlijn van de Dutch Birding, zodat een kleine stormloop met telescoopkijkers het gevolg was”. Het polderplasje blijkt overigens aantrekkelijk te zijn voor de steltkluut, want op 23 mei 2000 is het voor de tweede keer in het korte bestaan van het plasje raak met drie steltkluten, die hier tot 29 mei rondstappen. Op 24 april en 8 augustus 1998 is het plasje ook goed voor de zeldzame poelruiter en op 5 mei 2000 voor de Amerikaanse wintertaling, een zeer zeldzame Amerikaanse verwant van onze wintertaling.Tot 1997 was deze soort in totaal slechts veertien keer in Nederland gezien. Een groot aantal andere steltlopersoorten maakt gebruik van het plasje om er voedsel te zoeken of te rusten. De zilverplevier is een nauwe verwant van de in de Hekslootpolder algemene goudplevier. De zilverplevier komt vooral aan zout water voor, zoals in de Waddenzee. Een enkele keer bereiken ook enkele vogels de Hekslootpolder (twee in mei 1978, twee in mei 1993, één in september 1998 en maar liefst negen op 31 augustus 1999). kleine strandlopers en temmincks strandlopers zijn musgrote steltlopertjes die in Siberië broedden. Ze trekken door Nederland en zijn dan vooral te zien op slikkige plekken in het binnenland. De kleine strandloper is te zien van augustus tot en met oktober. Er is één (zeer vroege) voorjaarswaarneming (15 maart 1999) en een hele late najaarswaarneming (22 november 1998). Meestal zitten er een of twee vogels, maar inaugustus 1998 liep het aantal op tot negen. De temmincks strandloper is een schuwe soort, die zich onopvallend langs het plasje kan ophouden. In mei worden meestal eenlingen gezien die op weg zijn naar hun noordelijk gelegen broedgebieden en in september vogels die weer naar hun winterkwartieren gaan. In mei 2000 en mei 2001 liepen de aantallen op tot resp. zes en zeven. De krombekstrandloper lijkt veel op de algemenere bonte strandloper, maar zoals de naam al aangeeft, een van de kenmerken is de wat langere, gekromde snavel. Vijf keer zijn krombekstrandlopers gezien (op doortrek in mei, augustusen september). Spectaculair is de waarneming van 91 krombekken aan het plasje op 6 september 1998. Van de drie in Nederland broedende pleviertjes (bontbek-,kleine en strand-) is de strandplevier verreweg het zeldzaamst. De strandplevier broedt zoals de naam al enigszins aangeeft in het kustgebied op stranden en strandvlakten. De soort is zelden in het binnenland te zien. De waarneming van 8-16 vogels tussen 20 maart en 11 april 1977 is daarom opmerkelijk. Normaal gesproken verblijft de steenloper ’s winters bij ons langs de kust, met name op pieren. Een bekende plek in onze regio is de Zuidpier van IJmuiden. Bij storm willen nog wel eens steenlopers binnenlands gelegen graslanden opzoeken. In de winters van 1980-81 en 1982-83 liepen er maximaal 31 en 26 steenlopers in de Hekslootpolder rond. In later jaren zijn ze nog wel gezien,maar meestal slechts 1-3 vogels tegelijk.

 

         Grote karekiet

Klein grut

Zeer opmerkelijk is de waarneming van een groep van zeven kwartels die op 20 september 1970 is gezien. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is de grote pieper jaarlijks in zeer klein aantal in Nederland te zien. Voor die tijd werd de grote pieper zelden gezien. Daarom is de waarneming op 21 september 1975 in de Hekslootpolder bijzonder. Apart is de waarneming van 23 boomleeuweriken op 26 en 27 december 1970. Deze soort broedt in de duinen en trekt ’s winters meestal weg. Slechts sporadisch worden ze buiten de duinen gezien. De grote gele kwikstaart is sinds 2001 drie keer in de Hekslootpolder gezien. Deze soort broedt langs beken in het oosten en zuiden van het land en overwintert onder andere in steden. Een enkele keer wordt een grote gele kwikstaart gezien langs slootjes. Een zeldzame lijster die in Nederland vooral in voor- en najaar door de duinen trekt is de beflijster. In totaal vier keer is deze prachtige vogel, een ‘merel met een witte bef’, in april in de Hekslootpolder gezien.Het paapje is een kleine tapuitachtige vogel, die in kleine aantallen in Nederland broedt, maar vooral in Scandinavië. In april/mei en augustus/ september zit er wel eens een paapje op een paaltje of op een van de kazematten in het gebied. Een direct familielid is de roodborsttapuit. Deze broedt vrij algemeen in onze duinen en trekt in de winter weg naar Frankrijk en Spanje. Buiten het duingebied is de roodborsttapuit zelden te zien. Toch heeft de roodborsttapuit enkele malen overwinterd in de Hekslootpolder: in december 1976, de winter van 2000-2001 (1-3 vogels) en december 2001. Aangezien in de Hekslootpolder hier en daar riet voorkomt, zijn geregeld rietvogelsoorten te zien. Tussen 13 en 20 juni 1981 zingt een grote karekiet in een rietkraag in de Hekslootpolder. In tegenstelling tot de zeer algemene kleine karekiet, is de grote karekiet in heel Nederland zeldzaam. Op 28 juli 1991 zit voor het eerst een baardmannetje in de Hekslootpolder. Deze aan de mezen verwante soort is in de jaren zeventig van de vorige eeuw bij de aanleg van Zuid-Flevoland enorm in aantal toegenomen doordat er grote arealen riet ontstonden. Later is het baardmannetje weer in aantal afgenomen. Geschikt is wat ouder riet dat in het water staat. Vanaf 1998 is het baardmannetje jaarlijks in de Hekslootpolder te zien, met name langs de brede rietkragen langs het Assendelvervoetpad en nabij de vogelkijkhut. Een enkele keer zit er in de winter een sneeuw- of ijsgors in het gebied.


Overvliegend spul

Niet alle zeldzame vogelsoorten maken echt gebruik van de Hekslootpolder om er te eten of te rusten. Sommige soorten vliegen alleen maar over, vaak op trek. Dat geldt bijvoorbeeld voor roofvogels zoals de visarend en de wespendief, die enige malen in voor- of najaar op doortrek zijn gezien. Een rode wouw vloog in maart 1996 over het gebied. Op 19 september 1981 en 19 april 2004 was echter wel degelijk een visarend aan het vissen

boven de Hekslootpolder. Opmerkelijk is de waarneming van een wespendief die van vanaf 20 augustus 1996 elf dagen in en rond het gebied verbleef. Een prachtig gezicht is het als je een groep kraanvogels ziet overvliegen. Dat overkomt de waarnemer op 5 november

1994, als een groep van 64 vogels naar het zuiden trekt. Exotische verrassingen Inmiddels heeft de Hekslootpolder enige vermaardheid gekregen vanwege de exotische ganzen en eendensoorten die er gezien kunnen worden. Van nature komen deze niet in Nederland voor. Zij worden gehouden als siervogel in watervogelcollecties. Zo zijn de eerste

zwarte zwanen eind 18e eeuw naar Europa vervoerd als siervogel. Regelmatig ontsnappen dergelijke exoten en sommige soorten weten zich vervolgens ook met succes voort te planten. Naast de inmiddels zeer algemene nijlgans (oorspronkelijk uit Afrika afkomstig)

zijn ook de volgende soorten gezien: zwarte zwaan (uit Australië, vijf keer), zwarthalszwaan (uit Zuid-Amerika, één keer), Indische gans (uit Azië, minimaal

zeven keer), casarca (uit Azië, vanaf 1992 jaarlijks tot maximaal acht vogels)en rosse stekelstaart (uit Noord Amerika,één keer). Indische ganzen zijn uit gevangenschap ontsnapt. Rond de eeuwwisseling broedden er al zo’n 60-80 paar in Nederland. Van de rosse stekelstaart is bekend dat het voorkomen in NW-Europa voor een belangrijk deel het

gevolg is van ontsnappingen uit één watervogelcollectie aan de Britse westkust in 1960.

Een nieuwe exoot die af en toe ontsnapt en dan ergens in Nederland wordt gezien is de heilige ibis. In december 2000 stapte er een geringde vogel rond. Hoe schat je deze zeldzaamheden op waarde? Dat een vogelsoort zeldzaam is in de Hekslootpolder kan verschillende oorzaken hebben:

● De soort was voorheen algemener, maar is in aantal afgenomen en nu zeldzaam, bijv. de bonte kraai.

● De soort is zeldzaam en neemt (in Nederland) in aantal toe en komt mede daardoor nu ook af en toe in de Hekslootpolder voor, bijv. de zwartkopmeeuw.

● De soort is (in Nederland) zeldzaam en komt door de bijzonder kwaliteiten van de Hekslootpolder in het gebied voor, bijv. roerdomp.

● Een vogelsoort beland ‘ bij toeval’ in de Hekslootpolder, bijv. door een storm of andere bijzondere klimatologische omstandigheden, bijv. drieteenmeeuw of zwarte ibis.

 

 

         Bonte Kraai

Aantalveranderingen van vogelsoorten kunnen hun oorzaak vinden in het gebied zelf of buiten het gebied. In de Hekslootpolder kunnen in de loop der jaren veranderingen zijn opgetreden, waardoor een vogelsoort in aantal is toe- of afgenomen. Een voorbeeld daarvan is de toename van de hoeveelheid riet. Hierdoor worden de roerdomp en het baardmannetje steeds vaker waargenomen. De oorzaak van voor- of achteruitgang kunnen ook buiten het gebied liggen. Zo is de bonte kraai steeds zeldzamer geworden, omdat deze soortin toenemende mate ’s winters blijft hangen in Scandinavië en niet meer de moeite neemt om af te zakken naar Nederland. In de Hekslootpolder zijn in totaal 173 vogelsoorten waargenomen. Hiervan staan er maar liefst 44 op de landelijke Rode Lijst van kwetsbare of bedreigde vogelsoorten. Van deze 44 soorten zijn er elf broedvogel en nog eens zes een voormalig broedvogel. De elf soorten van de Rode Lijst die in de Hekslootpolder broeden zijn roerdomp, wintertaling, zomertaling, slobeend, scholekster, grutto,tureluur, boerenzwaluw, huiszwaluw, huismus en ringmus. Voor deze soorten heeft de Hekslootpolder dus een bijzondere betekenis.

Conclusie en aanbevelingen

Uit het bovenstaande blijkt dat de zeldzame vogels die in de Hekslootpolder worden gezien vooral behoren tot de groep van watervogels, weidevogels en moerasvogels. De voorstellen voor inrichting en beheer van het gebied, zoals in 1992 geformuleerd door de Vereniging Behoud de Hekslootpolder, blijven grotendeels hun geldigheid behouden. Dit betekent: Behouden van de belangrijke functie als weidevogelgebied. Het vasthouden van water in de winter in de Oude Spaarndammerpolder, zodat daar in een groot deel van het jaar vochtige tot natte omstandigheden ontstaan (plas-drassituaties). Creëren van een moeras op de hoek van het Assendelvervoetpad en de Spaarndamse weg met overjarig riet. Het rapport geeft terecht aan dat ‘te verwachten is dat deze moerasdriehoek grote aantrekkingskracht op meerdere vogelsoorten zal hebben’. Genoemd worden bruine kiekendief, snor en baardmannetje. Gezien vergelijkbare omstandigheden in de moerszones langs de Liede lijkt deze voorspelling zeer aannemelijk. Aan bovenstaande aanbevelingen is het volgende toe te voegen. Het plasje langs het Assendelvervoetpad trekt veel vogelsoorten aan, waaronder vele zeldzame. De waarde van de gehele Hekslootpolder is te vergroten door dit plasje uit te breiden. Hierdoor kan het grotere aantallen voedselzoekende, rustende en slapende ganzen, eenden en steltlopers herbergen.

Evert van Huijssteeden